Kunstbeeld

Kunstbeeld

maandag 26 september 2016

Charles Avery bouwt gestaag verder

Door: Machteld LeijKunstbeeld nr. 4/2012


Charles Avery situeert zijn gehele oeuvre in een fictieve wereld die steeds verder uitdijt. Een interview betekent een rondleiding in deze wereld, langs haar wezens en door het hoofd van de kunstenaar.

Als studiomanager Marie-France me binnenlaat in het atelier van Charles Avery (1973) in Hackney, Oost-Londen, is hij nog even aan de telefoon. “Sorry,” zegt hij, “maar ik moest even afspreken wanneer ze een werk van Matthew Day Jackson komen afleveren: het is voor het eerst dat ik werk ruil met een bevriende kunstenaar.” Zijn atelier huist in een onooglijk, rechthoekig bedrijfspand in een straat vol armoedige woningen. Bij de metro zitten zwervers, maar op de hoek van de straat staat een luxehotel, net uit de grond gestampt. Een wijk vol tegenstellingen.

 

Zwarte bollen

Op de achterwand van het atelier hangt zijn eigen werk in wording, een enorme tekening van het fictieve gebied Qoro-Qoros vol zwarte bollen die net boven het water uitpiepen. Er staan mensen op en er slingert afval rondom, zoals oude autobanden. Dit curieuze hybride waterland verbindt Triangleland en The Island. Avery: “De bollen zijn veerkrachtig en mensen springen met grote passen, snel, van bol tot bol. Maar soms gaan ze te ver, en hebben ze de energie niet meer om terug te keren. Dan sterven ze daar.” Ze lijken wel wat op grillige kustgebieden in Schotland. Geen toeval, daar komt de kunstenaar ook vandaan.

Welkom in de filosofische allegorie, de fictieve maar soms toch herkenbare wereld van Charles Avery, waar onschuldig spel kan omslaan in doodgaan. De Schot is zelf ook al zo’n vat vol tegenstrijdigheden: jongensachtig, maar door zijn zwarte haar schiet al wat grijs en zijn stem klinkt diep. Hij praat als een doorgewinterde filosofieleraar, zijpaden bewandelend, ingewikkelde mathematische logica uitleggend. Het klinkt alsof het een dagelijkse vanzelfsprekendheid voor hem is. Mijn hersens kraken ervan.

Avery’s bouwt gestaag verder aan zijn fictieve wereld: in tekeningen – soms prachtig gedetailleerd, soms deels onuitgewerkt –, in boeken (The Islanders: An Introduction, 2008) en artefacten. En Avery maakt opgezette monstergedrochten: een soort lama met struisvogelpoten bijvoorbeeld. Het is een Rideable: het equivalent van een paard op The Island.
Ruwweg bestaat zijn wereld uit Triangleland en The Island. De eilanders kwamen uit Triangleland en begonnen op The Island een soort onverstoorbare, creoolse samenleving. Vanaf het vasteland blijven de Trianglelanders komen: als toeristen, als jagers, als gelukszoekers. Ze kopen op rommelige toeristenmarkten muizen met zo’n trage hartslag dat ze stenen lijken. Als je ze van het eiland afhaalt, veranderen ze alsnog in stenen. Het klinkt als een ideale oplichtingspraktijk. Een onderklasse van de zogenaamde If’en dient op The Island als hulpen in de huishouding, maar alleen degenen die er het meest menselijk uitzien. Filosofen zitten er in de kroeg te ruziën over onoplosbare stellingen. En jagers komen om de illustere Noumenon te vangen, een mythisch wezen dat niemand ooit echt gezien heeft. Noumenon is in de moderne filosofie een Kantiaans begrip, dat het – volgens Kant – onkenbare wezen van de dingen aanduidt. Het is een van de vele filosofische axioma’s die Avery gebruikt om zijn wereld te scheppen en die de vorm kunnen aannemen van een bizarre godheid met een eendensnavel of een geest die gebukt door de straten schuifelt, maar één schoen dragend. Toch ziet Avery zichzelf niet als de almachtige auteur.


Mutaties en misverstanden

Avery: “Ik geloof niet dat iemand ideeën heeft, maar dat ze plaatsvinden als mutaties van bestaande ideeën en misverstanden. De Hunter is een van de belangrijkste personages in het project, die tegelijkertijd ontdekt en uitvindt. De Hunter stelt eigenlijk de auteur voor – mijzelf net zo goed als ieder ander – die op reis gaat, die zijn eigen weg kiest door het project en die in zijn eigen tempo verschillende ideeën ervaart. Als je een systeem opzet zo precies als dit, dat door axioma’s en paradigma’s ondersteund wordt, raakt het zo complex dat het jezelf overstijgt. In het begin zag ik het als een boek dat bestaat uit vele delen. Ik vermijd bewust het woord ‘encyclopedie’, maar dat model spreekt me aan: je kunt elke pagina openslaan en je eigen weg uitstippelen. Mark Manders, met wie ik sprak toen we beiden deelnamen aan de expositie ‘Walking in My Mind’ in de Hayward Gallery in 2009 en die een soortgelijke praktijk als ik uitoefent, ziet de encyclopedie als een voltooid boek. Ik zag het voor die tijd juist als een boek dat nooit af was.”

In je boek uit 2008 schets je en passant een beeld van ruziënde filosofen in de kroeg op het eiland, waar Trianglelanders graag naar komen luisteren. Je zet de filosofen neer als dronken vechtersbazen en ondergraaft zo hun serieusheid. Dit soort details maakt The Island sympathiek.
Avery moet lachen: “Ja, dat is het idee van de waarheid, belichaamd door de Noumenon. Je kunt de waarheid kennen, maar je kunt haar niet bezitten, al zit je er bovenop! Triangleland is ontworpen als ‘de buitenwereld’. De bewoners denken dat The Island hun kolonie is, maar het heeft zijn eigen cultuur ontwikkeld, denkt onafhankelijk te zijn en respecteert haar koloniale meesters totaal niet. The Islanders voelen zich superieur ten opzichte van Trianglelanders.”

Je kunt de waarheid kennen, maar je kunt haar niet bezitten, al zit je er bovenop!

Twee polen

De wereld groeit en groeit almaar. Van tentoonstelling naar tentoonstelling, van boek naar boek. De plattegrond die er aan ten grondslag ligt, schetst een wereld, waarin de polen bestaan uit Descartes’ axioma en Wittgensteins Tractatus, We bestuderen de kaart van het gebied: “Kijk, Qoro-Qoros ligt tussen Triangleland en The Island, dichtbij de evenaar. Deze globe stelt het universum voor; het eiland is de wereld. Alles is eigenlijk eendimensionaal. De twee polen vallen samen, als singulariteiten. In het noorden bevindt zich het analytische spectrum. Daar is een eeuwig woud, waaruit je nooit terugkeert. Je wordt in dit woud de singulariteit als point-of-no-facts ingezogen. Ik denk namelijk dat als je alles weet, je eigenlijk niets weet. Er is niets meer over om te weten in een inert universum dat zichzelf volledig kent. Axioma’s gelden voor elk gebied dat ik ontwierp. De gebieden staan ruwweg tot elkaar in relatie – sommige concreter dan anderen –, maar naarmate je noordelijker gaat, neemt de onzekerheid toe. Ik houd van de textuur, de taal en de ideeën van de filosofie, meer dan dat ik iets wil bewijzen. Ik heb namelijk niet het intellect om dat te doen. Om eerlijk te zijn, denk ik dat niemand dat heeft.”

Je tekeningen ogen realistisch. Maar waar komen toch die vervreemdende geometrische vormen vandaan, die overal terugkomen, als bergen bijvoorbeeld?
“Ik zie de driehoek als de eenvoudigst mogelijke vorm. Een tetraëder is een viervlak: een gelijkzijdige piramide zonder basis. Ik heb ze als bergen ingezet op tekeningen, op zo’n manier dat je nooit ziet waar ze de grond precies raken. Die vorm fascineert me altijd al vanwege zijn uniciteit. Elk van de vier vlakken heeft exact dezelfde relatie tot de andere. Ik maakte ooit geometrische vormen die ik op straat meedroeg. Als je een bol meedraagt, denken mensen: ‘Ach, een bal’. Loop je met een kubus, dan lijkt het een doos. Alleen de tetraëder doet mensen vreemd opkijken: die vorm heeft namelijk geen enkel praktisch nut! Het is een rationele vorm. Ik gebruik ze onder andere als bergen. Maar je ziet nooit waar ze de grond raken en dalen zijn er ook niet. En wat me enorm amuseert: ze zien eruit alsof ze onmogelijk te beklimmen zijn.”

Hoe verhouden je tekeningen zich tot je teksten, installaties en artefacten?
“Als ik teken, doe ik dat vanuit mijn verbeelding, wat introspectie in de hand werkt. Ik stel me voor wat mensen zeggen en doen in mijn tekeningen, ik oefen de conversaties terwijl mijn geest afdwaalt. Hieruit ontstaan mijn teksten, die op hun beurt weer zorgen voor nieuwe objecten en tekeningen. Het is voor mij onmogelijk om het schrijven los te zien van de rest van het project. Maar zonder in saaie discussies over de aard van tekenen te belanden, zou ik willen zeggen dat ik een manier heb gevonden om te werken in relatie tot mijn gedachtepatroon. De artefacten werken precies zoals het woord suggereert. Ze zijn bewijzen van het bestaan van een subjectief rijk. Ze zijn een knullige en futiele poging om een gevoel van directheid op te roepen. Het zijn reflecties, souvenirs zo je wilt, misschien wel buit. Ze verhouden zich tot hun origineel als een opgezette tijger in een museum in Edinburgh dat doet tot een wilde tijger in Bengalen.”

In hoeverre kun je je project, dat in 2004 begon, ooit voltooien?
“Voltooiing is niet haalbaar, besefte ik al vroeg. Nu creëer ik niet zozeer het territorium als wel een open filosofische tegenstelling. Dat heeft als praktisch voordeel dat ik niet alles in detail hoef uit te voeren. Dat zou me nooit lukken zonder bij de Anonieme Alcoholisten te belanden!”


Modebewuste types

Hoeveel van onze wereld zit er in The Island?
“Iemand schreef laatst een proefschrift over de ontruiming van de Schotse Hooglanden en betrok daar The Islanders bij. Zo wil ik dat het werkt: als een forum voor gedachten. Het landschap is een metafoor. Ik heb overtuigingen en inzichten die ik graag bediscussieerd zie. Een van de opvallendste kenmerken van het eiland is bijvoorbeeld dat het toerisme aantrekt. Het eiland heeft een interne dialectiek, waarin ruimte is voor verschillende theorieën en opvattingen.”

The Island heeft iets utopisch, maar tegelijkertijd is er sprake van een rauwe kant.
“Ja, klopt, het is dan ook gebaseerd op waar ik gewoond heb, op het eiland Mull, en op waar ik nu woon: Hackney. Hier heerst armoede, maar er lopen ook extreem modebewuste types rond die de ideale perfectie nastreven.”

Zijn die hippe gele laarsjes die het meisje op de tekening draagt, dan een modeuiting?
Een bulderende lach: “Welnee, ik kom van Mull, een eiland aan de westkust van Schotland. Die gele laarsjes behoorden tot de standaardoutfit van de vissers daar. Men categoriseert mijn werk als van een bepaalde tijd, vanwege de Edwardiaanse kleding van de mensen. Ik ben gevoelig voor die kritiek, dus pas ik hun kleding aan, voeg mobiele telefoons toe. Ze hebben geen ongelijk hoor, als ze dat zeggen. Maar laatst besefte ik iets waar niemand me ooit op had gewezen: viervijfde van de personages in mijn tekeningen zijn mannen! Dat is veel extremer dan het dragen van Edwardiaanse kleding! Ik teken de mensen uit mijn verbeelding, vaak weet ik van tevoren niet hoe ze er uiteindelijk uit komen te zien. Soms teken ik een vrouw die allengs in een man verandert, soms wordt een blanke zwart.”

Je omschrijft in The Islanders: An Introduction een kudde Alephs ook vrij traditioneel: een familie met een stier als oudste, dan de koe en vervolgens komt het kalf.
“Zo ziet een patriarchale samenleving eruit, inderdaad. Overigens is mijn eigen leven heel anders, ik heb drie dochters van zeven, vijf en twee. Ik ben omringd door vrouwen: mijn galeriehouders zijn vrouwen, ik groeide op bij mijn moeder. The Island is juist erg matriarchaal, alle sterke karakters zijn vrouwen, zwakte is een eigenschap van mannen. Miss Miss bijvoorbeeld, de vrouw op wie de Hunter verliefd is, heeft op het eiland alle touwtjes in handen. Hijzelf is een soort Bertram Wooster, een Hugh Grant. Geen held in ieder geval.”

In een eerder interview werd gesuggereerd dat zowel Miss Miss als de Hunter een deel van jezelf is.
“De Hunter, de ‘ontdekker’ van het eiland, moest in eerste instantie vrouwelijk noch mannelijk zijn. Het was een silhouet: lang, elegant en androgyn. En ik wilde dat je niet kon opmaken of de figuur in je richting liep of juist de andere kant opging. Toen ik eenmaal begon te schrijven, werd het lastig: je kunt niet de hele tijd ‘het’ zeggen of ‘hij/zij’. Dat klinkt te geforceerd. Dus bedacht ik Miss Miss, die alles is wat de Hunter niet is. De Hunter denkt de ontdekker van het eiland te zijn en loopt tot zijn verbazing Miss Miss tegen het lijf. De liefdesaffaire tussen hen is er een van onbeantwoorde liefde. En in de epiloog van The Islanders: An Introduction vraag hij zich af, of ze überhaupt wel bestaat!”

De Hunter was een silhouet: lang, elegant en androgyn.

Een blauwe driehoek

Je vertelde ooit dat je geïnteresseerd bent in de conceptuele kunst van Seth Siegelaub en Joseph Kosuth. Zulk werk oogt toch heel anders dan jouw werk?
“De verschijningvorm is inderdaad anders, maar ik houd ervan dat deze kunstenaars zich distantiëren van het auteurschap net zoals als dat ik doe. De mate waarin bijvoorbeeld Sol LeWitt mathematische paradigma’s hanteerde bij de totstandkoming van zijn werk intrigeert me. Hoe dan ook, zij zetten me op het juiste spoor. Ik maakte een tijdje conceptuele kunst: ik schilderde een blauwe driehoek die ik uit verschillende hoeken fotografeerde, zodat het telkens een totaal andere vorm leek. Dus ja, dat was de link tussen mijn project en die kunstenaars. Het lijkt alsof ze aan de andere kant van het spectrum zitten, maar dat is niet zo.”

Je begon ooit met het tekenen van niet-bestaande mensen, was dat al een aanzet tot The Island?
“Dat is lang geleden, in 1998. Ik begon met het tekenen van een neus. Vervolgens groeide daar een scène uit. Ik werd steeds beter in het tekenen van mensen uit mijn verbeelding, maar het ging nergens heen. Van daaruit ontwikkelde het verder en ik raakte geïnteresseerd in mathematische filosofie. Mijn werk verwarde mensen altijd. Ik stopte alles bij elkaar; toch was het voor mij volstrekt logisch. Ik wilde vermijden dat ik gemakkelijk te identificeren ben, zoals de kunstwereld dat het liefst wil. Uiteindelijk besloot ik een ruimte te creëren waarin verhoudingen ruimtelijk gerationaliseerd werden. Van daaruit begon het systeem te groeien. Op The Island wordt kunst weer een plek om na te denken. Het kunstwerk is een reflectie, een herinnering aan iets anders. Kunst is een geest, de Noumenon.”

Op The Island wordt kunst weer een plek om na te denken.

Zie je jezelf als autodidact? Ik begreep dat je werd weggestuurd van de kunstacademie.
“Ja, nadat ik eerst bij alle grote kunstacademies geweigerd was: in Edinburgh, in Chelsea, bij Goldsmiths en Slade. Tegen de tijd dat ik begon op St. Martins, was ik zo pissed off, dat het niet werkte. Ik denk dat de academies me terecht afwezen, ik was een beetje een herrieschopper in die dagen. Aan de andere kant gaat er geen dag voorbij dat ik niet besef hoe goed het was dat de kunstacademie van Edinburgh me tweemaal afwees. Als ik daar was toegelaten, was ik nooit naar Londen gegaan.”

Merkte je nog iets van de rellen in Londen afgelopen zomer? Zou zo’n gebeurtenis haar weerslag kunnen hebben op The Island?
“Ik was er niet, ik zat in Schotland! Ik mis altijd de lol. The Island heeft geen geschiedenis, maar bestaat alleen uit ongedefinieerde eigenschappen in relatie tot elkaar. Een rel zou te veel een idee van geschiedenis belichamen. Het enige wat ik volgens mij kan doen is het laten doorsijpelen van een gevoel van onderhuidse onrust.”

Avery oogt moe. “Dat was alweer een tijd geleden, dat ik er zo uitgebreid over heb gepraat. Al dat vroege opstaan met jonge kinderen hakt er ook wel in.” We nemen afscheid. De kunstenaar duikt direct weer in zijn werk: een computersimulatie van de op handen zijnde tentoonstelling in Grimm Gallery.

‘Charles Avery’
5 apr. t/m 8 mei 2012
Grimm Gallery,
Keizersgracht 82 en Frans Halsstraat 26, Amsterdam
www.grimmgallery.com

 





Afkomstig uit

Kunstbeeld nr. 4/2012
Bestel Kunstbeeld nu

Inloggen


Inloggen
Registreren
Wachtwoord vergeten
Wachwoord vergeten




Inloggen