Tegenlicht: Mona Lisa
Column Rob Perrée
zondag 30 augustus 2009
Ik had bij Galignani een paar boeken gekocht en besloot de Rue Saint-Honoré terug te nemen.
Dat was de kortste weg naar de Marais.
Bovendien niet vergeven van de luidruchtige toeristen.
Onderweg kreeg ik echter trek in pizza.
Dat is een probleem in de Honoré.
Die is daar veel te netjes voor.
Daar houden ze niet van pizza.
Ik moest dan ook naar een hoek van de Rue de Rivoli om mijn ordinaire honger te stillen.
Daar plofte ik op een gifgroen plastic terrasstoeltje.
Dat had ik niet moeten doen.
Lees meer...Besefte ik te laat.
Ruim een kilometer van de Rue de Rivoli had net zo goed de Boulevard du Louvre kunnen heten.
Daar ligt namelijk het grootste museum van de wereld aan.
Met jaarlijks acht en een half miljoen bezoekers.
Daar zijn die van het Van Gogh kinderspel bij.
Het Louvre is een prachtig museum.
Op dinsdagmorgen om tien uur buiten het hoogseizoen.
Niet op maandagmiddag in de zomer als alle andere musea gesloten zijn.
Het was maandagmiddag.
Ik werd dus omringd door ex-museumbezoekers.
Van wie tachtig procent Nederlanders.
Naast mij zat een gezinnetje van vier.
Twee gothicdochters van, schat ik, veertien en vijftien.
Helemaal in het zwart gekleed.
De ogen met kohl omgeven.
Zware kistjes aan de voeten.
Een wat uitgebluste vader
en een moeder die jong wilde blijven,
maar niet op haar dochters mocht lijken.
Een spagaat waar ze zichtbaar last van had.
De stoelen waren te hard.
De tafel te klein.
De temperatuur te hoog.
De straat te druk.
De Franse jongens raar.
En op de menukaart stond niet wat ze wilden.
Ze gingen eigenlijk liever naar MacDonalds.
De ouders zwegen.
Van puberende pubers kun je niet winnen.
Toen ze eindelijk wat uitgekozen hadden,
zag de moeder er weer een gat in.
Iets te vrolijk riep ze uit dat ze vandaag in ieder geval de Mona Lisa hadden gezien.
Met tienduizenden anderen, mompelde de oudste.
Achter glas, vulde de jongste lijzig aan.
Op dit punt moest ik ze gelijk geven.
Met tegenzin.
De Mona Lisa is volledig verkalenderd.
Ze hangt op iedere wc.
Als je een week in Parijs bent,
heb je haar tenminste twee keer onder je bord gehad,
heb je tenminste één keer je mond ermee afgeveegd.
Heeft ze verkleurd je hotelkamer opgesierd.
Staat ze op je favoriete website over Parijs.
Prijkt ze in tenminste drie folders die je in je handen geduwd hebt gekregen.
En zit ze in iedere kaartenmolen bij iedere attractie.
Je ziet haar zoveel,
dat je haar óf zat bent voordat je haar ziet,
óf je verwachtingen zijn zo hoog gespannen,
dat ze daar met geen mogelijkheid aan kan voldoen.
Maandag in het Louvre is voorsorteren.
Spitsuur zonder verkeerslichten.
Als je klein bent – en dat waren ze, puber en klein –
dan loop je uren tegen bezwete ruggen aan te kijken.
Om uiteindelijk, met wat geluk, een stukje van die placemat van Da Vinci te zien.
Achter glas.
Haar glimlach kan zoveel ellende niet goed maken.
De vader stond als eerste op.
Hij wilde naar zijn hotel.
Naar bed.
Hij moest nog de hele week met die twee op stap.
Hij kon wel wat extra rust gebruiken.
Ik had met hem te doen.
En met de Mona Lisa.
Rob Perrée