
klik om een oordeel te geven!
Gastblogger Dorine van Meel startte dit najaar haar masters aan het Goldsmiths College. Dit is haar tweede blog.Dorine van Meel | Terwijl de herfst gestaag en onherroepelijk vordert, begin ik mijn weg te vinden van oost naar zuid en Londen centraal; van de studio naar het media equipment centre, naar het medialab en terug. Ik test mijn eerste installaties, voer mijn eerste gesprekken met docenten, schrijf mijn eerste onderzoeksrapporten en tussen dat alles door veranderen sommige klasgenoten langzaam in vrienden.
Hoofdgebouw Goldsmiths en de stamkroeg
De studioHet leven hier is intens en het aanbod groot. Dat geldt zowel voor de stad, waar ik kennis maak met werk van o.a.
Ed Atkins,
Haroon Mirza,
Anri Sala,
Mathias Poledna en
Thomas Léon, als voor mijn school, waar de input van lezingen, teksten en kunstenaarsbezoeken een gemeenschappelijke beginpunt vormt voor discussie. Zo toont theoretica
Lauren Berlant ons voorbeelden van stille vormen van protest in een wereld waar het politieke klimaat vooral wordt bepaald door emoties.
Barbara Steveni, oprichter van de
Artist Placement Group in 1966 en weduwe van de Britse kunstenaar
John Latham, blikt terug op haar pogingen om de maatschappij van binnenuit te veranderen door kunstenaars te plaatsen binnen bedrijven en (overheids)instellingen. Haar ideologische benadering contrasteert met de lichtvoetige en ironische houding van het veel jongere Zweedse kunstenaarsduo
Goldin en Senneby. Zij onderzoeken bedrijfsstrategieën en introduceren deze in hun beeldend werk. In hun lezing voert een ingehuurde management consultant het woord, die hun laatste kunstproject presenteert en evalueert met behulp van statistieken en tevredenheidsonderzoeken. De lezingen worden in kleinere werkgroepen en in de kroeg uitvoerig besproken: Geloven we nog wel dat de kunstenaar de maatschappij kan veranderen? Welke verantwoordelijkheid draagt de kunstenaar? Waar begint politieke kunst en waar houdt het op?
Waar begint politieke kunst en waar houdt het op?
In mijn aantekeningen vind ik een opmerking terug van Berlant die voor mij enig licht werpt op deze grote vragen: Art induces a different capacity for attention and a different range of things to attend to, and different ways of processing the encounters with objects.

Links: Ed Atkins, An Echo Button (2001), Screening at Chisenhale Gallery
Rechts: Alessandro Mendini, Burning Chairs (1975), V&A Museum: Postmodernism: Style and Subversion 1970 1990

Links: Thomas Leon, Living in the Ice Age (2010), Screening at Chisenhale Gallery
Rechts: Mathias Poledna, A Village by the Sea (2011), Raven Row GalleryNaast de vragen die worden opgeworpen door deze lezingen, bieden ook de
Group Tutorials voldoende stof tot nadenken. Wekelijks discussiëren we met onze klas en twee tutors kunstenaars
Elizabeth Price en
Milly Thompson twee uur lang over het werk van twee studenten. Ieder van ons is verplicht te praten, behalve de makers zelf, die zich niet mogen mengen in het gesprek.
Ieder van ons is verplicht te praten, behalve de makers zelf,
die zich niet mogen mengen in het gesprek.
Onze manieren van praten en denken over kunst blijken even divers als het werk dat we maken. In eerste instantie leidt dit tot gefragmenteerde discussies, met naar mijn zin wel erg veel vrije associaties of ver doorgevoerde interpretaties. Mijn onvrede blijkt gedeeld te worden door andere studenten, en onderling bespreken we hoe we als groep de discussie scherper kunnen krijgen. Op eigen initiatief brengen we elkaar op de hoogte van ons eerdere werk en standpunten, we zweren vrijblijvende reacties gedurende de Turotials af, en al snel maakt de aanvankelijke beleefdheid of terughoudendheid plaats voor oprechte betrokkenheid. We proberen themas aan te snijden die de specifieke kenmerken van de individuele werken overschrijden en een algemenere relevantie hebben. Wat zijn de grenzen van het kunstwerk? In hoeverre is de oorspronkelijke intentie van de kunstenaar van belang? Wanneer nodigt een werk uit tot interpretatie en wanneer lijkt een werk alleen te spreken binnen zijn eigen grenzen? Hoe kan werk dat institutionele kritiek uit een aanvulling zijn op het debat dat zich nu afspeelt in de politiek?
Om terug te komen op mijn vorige bericht: het tot stand brengen van een gezamenlijke context lijkt op dit moment vooral te bestaan uit het formuleren van gemeenschappelijke vragen. Ik zal ze blijven verzamelen, sta op de uitkijk voor antwoorden en kom bij u terug zodra ik meer weet.